GS1 Belgilux

Traceerbaarheid gegarandeerd bij DE CEUSTER MESTSTOFFEN

Niet alleen in de voedingssector, maar ook in bepaalde nevensectoren zoals o.a. de meststoffensector, duikt de problematiek van traceerbaarheid op. Vooruitstrevend als de onderneming DE CEUSTER MESTSTOFFEN (DCM) is, is zij reeds een aantal jaar geleden van start gegaan met een traceringsproject. Hierbij maakt zij gebruik van de GS1 standaarden. Momenteel is hun traceringssysteem zo goed als operationeel.

Ontstaan DCM

Herman De Ceuster richtte in 1966 de eerste DE CEUSTER vestiging op in Sint-Katelijne- Waver. Het bedrijf startte haar activiteiten destijds in grondveredeling voor de professionele sector (groenteteelt onder glas en in open lucht, boomkwekerijen, tuinaanleg, ...), maar wist kort nadien ook de openbare sector (onderhoud van openbaar groen, sportvelden, ...) te veroveren.

Het succes van deze groep vertaalde zich tien jaar later in een tweede vestiging te Grobbendonk, die de naam DE CEUSTER MESTSTOFFEN (beter bekend als DCM) meekreeg. DCM groeide uit tot Belgische marktleider in organische meststoffen, oftewel meststoffen die opgebouwd zijn uit dierlijke en plantaardige nevenstromen. Vandaag produceert DCM 30.000 ton meststoffen, bestemd voor zowel de professionele als de particuliere sector in binnen- en buitenland. Hierbij houdt DCM zich bezig met zowel de ontvangst van grondstoffen als met de productie, logistiek, verkoop en levering van de eindproducten aan de klant. Naast organische meststoffen behoren ook diverse potgronden en kalkproducten tot hun productgamma.

Momenteel bedraagt het zakencijfer van DCM Grobbendonk zo’n 16 miljoen euro. In deze vestiging zijn vandaag een 50-tal mensen tewerkgesteld. Het productieproces is sterk geautomatiseerd en speelt een cruciale factor in het succesverhaal van DCM.

Op Europees vlak speelt DCM eveneens een voortrekkersrol in bodemvruchtbaarheid, bemesting en substraten. Momenteel heeft DCM productievestigingen in België, Nederland en Duitsland.

Daarnaast horen eveneens bedrijven uit andere sectoren tot de DE CEUSTER groep, zoals o.a. INTRACO, BELCOFEED en EDIALUX. Elk bedrijf heeft zijn eigen specialiteit gaande van internationale trading en productie van veevoeders tot fabricage en distributie van producten voor ongediertebestrijding.

Het zakencijfer voor de ganse groep DE CEUSTER bedraagt 60 miljoen €. In totaal telt de groep zowat 220 werknemers.

Belangrijkste redenen voor het opstarten van een traceringsproject

De dioxine en BSE crisissen die in 1999 in de veeteeltsector uitbraken, hebben ook onrechtstreeks hun weerslag gehad op de meststoffensector. Het wantrouwen dat bij de meststofafnemer destijds heerste, was voor DCM een eerste aanzet om een traceringssysteem uit te werken. Immers, op die manier kan het bedrijf exact aantonen waar welke producten vandaan komen.

Daarnaast stond DCM een 3-tal jaar geleden voor de opdracht een nieuwe productielijn uit te bouwen voor de productie van de ‘Minigran‚ korrel’, hun nieuwste formule.

Aangezien het productieprocédé voor deze producten veel gecompliceerder is dan voor de gekende ‘korrel/kruimel’ techniek (meer productiestappen, meer productsoorten, ...), was het voor DCM een noodzaak een sterk geautomatiseerde productielijn uit te bouwen. Voor DCM was het dan ook meteen duidelijk dat deze investeringen zouden gekoppeld worden aan het concept traceerbaarheid.

Nadien, toen in 2002 de EU Verordening inzake voedselveiligheid tot stand kwam en later ook in België een meer uitgebreid KB(1) hierover verscheen, heeft dit bij DCM de idee alleen nog maar versterkt om met het initiatief van tracering door te gaan.

Verloop van het traceringsproject

DCM ging dus op zoek naar een geschikte partner voor de uitwerking van een traceringssysteem en kwam vrij snel bij de firma ORGANI terecht. In het verleden had ORGANI namelijk ook al hun ERP systeem geleverd. Door te kiezen voor eenzelfde systeemprovider had DCM de zekerheid dat de integratie van het traceringssysteem met het huidige ERP systeem vrij vlot zou verlopen.

De opstelling en concrete uitwerking van een totale automatisering nam ruim 2 jaar in beslag. Verschillende fasen kunnen hier onderscheiden worden. In een eerste fase werden alle producten en rekken in het magazijn voorzien van streepcodes, waarna in een tweede fase, het magazijn verder werd geautomatiseerd door de introductie van het ERP-pakket ORDAS (ORgani Distribution Administration System). Na het eerste jaar bleek het systeem, na doorvoering van de jaarlijkse stockcontrole, nog een aantal kinderziektes te vertonen. Daarom werd het systeem verder verfijnd. Momenteel worden hiervoor de laatste testen gerund. Eens volledig operationeel, zal DCM van elke partij weten van waar de grondstoffen afkomstig zijn, waar de eindproducten in het magazijn gestapeld werden, welke informatie op het label moet aangebracht worden en tenslotte naar welke klant de partij verstuurd is.

Niet alleen op IT niveau, maar ook voor het personeel op de werkvloer bracht deze automatisering drastische veranderingen met zich mee. DCM vond het daarom zeer belangrijk van bij de start van het project het personeel te betrekken in het verhaal. Bij aanvang van de automatiseringswerken was er bij de medewerkers enige vorm van terughoudendheid te merken, maar naarmate de werken vorderden en ze meer vertrouwd raakten met het nieuwe systeem, zagen zij ook de vele voordelen ervan in. Zo gaat nu bijvoorbeeld alles veel sneller, worden er minder fouten gemaakt bij het picken en in rekken plaatsen van producten en heeft men globaal gezien een beter overzicht over wat waar staat en waar naartoe gaat.

Gebruik van de EAN•UCC standaarden

Alle producten, zowel grondstoffen, hulpstoffen als eindproducten, worden voorzien van streepcodes. Hierbij opteerde DCM voor de EAN•UCC standaarden.

Elke eenheidsverpakking die bij DCM buitengaat, wordt voorzien van een EAN-13 streepcode. Omverpakkingen, bijvoorbeeld dozen, worden voorzien van een ITF-14 streepcode.

Om tracering te kunnen realiseren, maakt DCM gebruik van een productiecode. Deze code is geen EAN•UCC standaard, maar een uniek nummer dat in functie van de productieopdracht (uniek per productformule) door DCM wordt toegekend. DCM plaatst deze productiecode in tekstvorm op het etiket, zowel op de eenheidsverpakking als op de omverpakking die deze eenheden bevat. Door deze code te combineren met een EAN-13 of ITF-14 streepcode op het etiket, wordt traceerbaarheid ook naar de handelspartners gegarandeerd. M.a.w. de uniciteit blijft bewaard.

Op palletniveau wordt tenslotte gebruik gemaakt van de SSCC in een UCC/EAN-128 streepcode. Het serienummer dat in de SSCC na het bedrijfsprefix geplaatst wordt, is een uniek lotnummer dat DCM per pallet toekent.

Tracering vanaf de goederenreceptie tot de levering aan de klant

Bij DCM Grobbendonk wordt de interne traceerbaarheid gegarandeerd vanaf de goederenreceptie tot en met de levering van het eindproduct aan de klant. Drie soorten van producten komen bij DCM binnen: grondstoffen (vb. basisstoffen voor de aanmaak van meststoffen), hulpstoffen (vb. verpakkingsmateriaal) en eindproducten (vb. potgrond). Indien de producten bij ontvangst reeds voorzien zijn van een EAN streepcode, worden deze meteen gescand en op voorraad geplaatst. Indien geen streepcode aanwezig is, wordt per pallet intern een uniek lotnummer toegekend. Dit nummer wordt in de SSCC van de pallet verwerkt (zie hoger). Daarna wordt de streepcode gescand en worden de producten op voorraad geplaatst. Het systeem maakt een koppeling tussen het gescande EAN-nummer en de leveranciersgegevens.

Bij verbruik van de voorraden, wordt elke te verbruiken partij aan een productieopdracht gekoppeld en krijgt het een interne productiecode toegewezen (zie hoger). Ook hier worden de partijen die uit voorraad gehaald worden gescand. Via een koppeling van het RF systeem (= Warehouse Management System, het scansysteem op de werkvloer) met het ERP systeem, worden de voorraden van grondstoffen, hulpstoffen en eindproducten automatisch gewijzigd.

Eens de eindproducten geproduceerd, worden ze verder verpakt en geëtiketteerd. Het etiketteren gebeurt op de manier beschreven hierboven: een EAN-13 streepcode op de eenheidsverpakking, een ITF-14 op de omverpakking en een productiecode in tekstvorm op beide niveaus. Op palletniveau wordt een SSCC aangebracht in een UCC/EAN-128 streepcode. De SSCC wordt in het systeem aan de productieopdracht gekoppeld. Nadien worden de producten terug in voorraad geplaatst.

Bij levering aan de klant, wordt per klant een leveringsbon opgemaakt die voorzien is van een uniek leveringsnummer. Dit nummer wordt verder ook nog voor andere diensten gebruikt, bijvoorbeeld bij de boekhouding voor facturatie. De leveringsbon tenslotte, wordt in het magazijn vertaald in een magazijnbon die aan de magazijnier moet toelaten de juiste productpartijen klaar te zetten voor transport naar de klant.

Recall

Door intern alle bovenvermelde koppelingen te voorzien, kunnen producten - indien dat nodig zou blijken - vrij snel teruggeroepen worden. D.m.v. de productiecode aangebracht op de eenheidsverpakking en omverpakking, kunnen producten die terugkomen van consumenten of distributie snel getraceerd worden tot op grondstofniveau, en indien nodig uit de markt gehaald worden. Momenteel worden in dit verband de nodige testen uitgevoerd om dit alles zo efficiënt mogelijk te kunnen realiseren.

Toekomstplannen

DCM wenst in de toekomst de automatisering verder op te voeren om zo de activiteiten op de werkvloer nog sluitender te laten verlopen. Op die manier zullen nog minder fouten optreden. Concreet denkt DCM aan het rechtstreeks koppelen van bepaalde productieapparaten aan het interne systeem, zoals bijvoorbeeld het automatisch aanbrengen van etiketten op de omverpakking. Verder wordt ook de rapportering van gegevens (en dus ook van traceringsgegevens) geoptimaliseerd.