auteur: Michel Kempeneers
nr:
2005 - 3
Binnen de schoot van GS1 Europe lopen verschillende projecten die tot doel hebben te komen tot een ‘harmonisatie' van het gebruik van de meest frequente EANCOM®-berichten. In deze bijdrage lichten we het doel en de draagwijdte van deze projecten toe, en ontmoeten we onverwacht een oude bekende.
De voorbije, pakweg, tien jaar heeft het gebruik van EANCOM® een grote uitbreiding gekend. EANCOM® is uitgegroeid tot dé internationale EDI-referentie --- meer nog dan EDIFACT, de EDI-standaard van de Verenigde Naties waarop EANCOM® is gebaseerd. Dankzij de openlijke doelstelling steeds een deelverzameling van EDIFACT te willen blijven, combineert EANCOM® in zekere zin het beste uit twee werelden: enerzijds geniet de standaard mee van het gezag dat de Verenigde Naties ontegensprekelijk uitstralen, anderzijds biedt deze politiek de mogelijkheid om gerichter te werk te gaan. Niet alle EDIFACT-berichten zijn immers weerhouden in EANCOM®, en bovendien zijn de EANCOM®-berichten zelf vereenvoudigde versies van hun EDIFACT-equivalenten.
De voorbije tien jaar hebben echter geleerd dat zelfs dát niet volstaat voor een eenduidig gebruik van de EANCOM®-berichten: er blijft ruimte voor interpretatie, soms zijn er verschillende maar toch correcte manieren om informatie in een bericht weer te geven, vertalingen door MOs hebben lokaal fouten geïntroduceerd, en wat dies meer. De standaard is daardoor strikt genomen niet altijd een standaard.
Uiteraard is dit geen ideale situatie. Sommige bedrijven, veelal (maar niet altijd) grote spelers, zijn nu verplicht verschillende ‘dialecten' van eenzelfde bericht te kunnen ontvangen, een kwaad dat vooral in internationale context voorkomt. Dat hoeft niet te verbazen, want tússen landen en regio's zijn culturele verschillen veel groter dan binnen eenzelfde land, en dergelijke verschillen uiten zich doorgaans niet alleen in andere wetgevingen, maar ook in andere handelspraktijken.
Of dergelijke implementatieverschillen effectief kunnen worden weggewerkt, is nog maar de vraag. Toch is precies dát de bedoeling van een aantal werkgroepen die binnen GS1 Europe werken aan de ‘harmonisatie' van de frequentste EANCOM®-berichten(1). Harmonisatie betekent niets minder dan dat die werkgroepen tot één enkel resultaat komen voor het gebruik van een bericht, m.a.w. dat één soort informatie binnen dat bericht maar op één enkele manier wordt weergegeven. Zoals hierboven aangegeven, is dat vandaag niet steeds het geval, zonder dat dat daarom betekent dat zo'n bericht op een foutieve manier wordt toegepast. Als de werkgroepen erin slagen dergelijke verschillen weg te werken, of aanbevelingen te doen voor een verkiesbare methode wanneer er meerdere mogelijkheden zijn, betekent dat hoe dan ook dat een groep gebruikers hun implementatie van dat bericht zal moeten aanpassen om conform de aanbevelingen van de werkgroepen te zijn. Of dat in de praktijk ook zal gebeuren, lijkt minder vanzelfsprekend. De ervaring leert dat niemand geneigd is om een gesmeerd draaiende implementatie te wijzigen; doorgaans is daarvoor een dwingende reden nodig. Sommige MOs zijn van mening dat hun gezag kan gelden als dwingende reden en ze maken zich sterk dat zij erin zullen slagen de resultaten van de werkgroepen ook te laten implementeren.
Binnen het kader van de herstructurering van EAN International tot GS1 zijn ook een aantal pancontinentale GS1-organisaties in het leven geroepen. De reden hiervoor ligt voor de hand: sommige problemen blijven beperkt tot een welbepaald continent en raken de koude kleren niet van de andere continenten, zodat het weinig zinvol is ze wereldwijd te willen aanpakken. Bij de overgang van EAN naar GS1 is daarom van de gelegenheid gebruik gemaakt om EAN Europe, dat veeleer een feitelijke vereniging was, te bestendigen in GS1 Europe, dat zich binnen Europa inzet voor typisch Euopese dossiers.
Binnen GS1 Europe buigen enkele werkgroepen zich dus over een aantal EANCOM®-berichten. Het gaat dan met name om de volgende berichten:
Deze werkgroep is eigenlijk een voorloper van de huidige werkgroepen. De werkzaamheden ervan zijn dan ook verleden jaar reeds beëindigd. De resultaten laten echter op zich wachten. GS1 Belgium & Luxembourg stelt vast dat de werkgroep jammer genoeg niet is ingegaan op ons voorstel om ook fundamentele kwaliteitsissues aan te pakken, zoals het wegwerken van terminologische onduidelijkheden.
DESADV-bericht:
In een eerste fase had deze werkgroep enkel als doelstelling om de bestaande situatie in de grosso modo tien deelnemende Europese landen te inventariseren. Deze ‘consolidatie' is ongeveer rond, de werkgroep heeft nu een mandaat gevraagd om de haalbaarheid van harmonisatie te onderzoeken.
Ongetwijfeld de meest ambitieuze van deze werkgroepen, omdat hij van in het begin ‘harmonisatie' heeft vooropgesteld als einddoel. De gevolgde methodiek geeft nochtans aan dat deze werkgroep misschien nog pragmatischer te werk gaat dan de andere werkgroepen. Immers, in een eerste fase heeft de werkgroep in kaart gebracht welke onderdelen van het bericht in de verschillende landen worden gebruikt. Ze heeft zich daarbij wetens en willens strikt beperkt tot de elementen die minimaal nodig zijn om een bestelling te kunnen plaatsen. Vervolgens is nagegaan welke van die gegevens in meer dan drie landen worden gebruikt. Wat overbleef, is verzameld in het ‘core' ORDERS; de rest van de verzamelde gegevens is per onderwerp ondergebracht in ‘extensions'. Probleem is dat er nogal wat van die extensions zijn, want in de meeste landen wil men kennelijk steeds méér meegeven in een ORDERS-bericht dan wat strikt noodzakelijk is. Het is dus nog maar de vraag of de werkgroep de bottleneck niet gewoon heeft verplaatst, zonder veel wezenlijke vooruitgang.
Veralgemenend kunnen we stellen dat de bestaande werkgroepen in hun huidige werkzaamheden voornamelijk hebben gefocust op het repertoriëren van de bestaande situatie in de deelnemende landen. Dat is op zich erg zinvol, ware het niet dat tussen de bedrijven door is gebleken dat niet alle gebruikte begrippen in alle landen op dezelfde manier worden begrepen --- ongeacht de reden (wettelijk, cultureel, ...). Dat fundamentele probleem is telkens echter blauwblauw gelaten. Vraag is dan ook wat de eindresultaten zullen waard zijn.
De belangrijkste tussentijdse vaststelling is echter dat in de EANCOM®-praktijk de grootste problemen worden veroorzaakt door een fundamenteel gebrek aan respect voor de GS1-basisfilosofie. Die stelt nog steeds dat het niet mogelijk is op een efficiënte manier aan ADC of EDI te doen zonder voorafgaandelijke data-alignment. Dikwijls blijken nationale ‘oplossingen' echter alleen maar een manier te zijn om bepaalde problemen te omzeilen voor het correct toepassen van de GS1 nummeringsstandaard. Nationaal wordt dat oogluikend toegestaan, en op zich is daar weinig tegen te beginnen. Maar het loopt mis wanneer men dergelijke ‘oplossingen' ook internationaal wil toepassen, en bij uitbreiding wanneer men een en ander ook in de internationale standaard die EANCOM® is, wil betonneren, m.a.w. een bestaande praktijk regulariseren door ze te laten opnemen in de standaard. Een berucht voorbeeld hiervan, waar werkelijk ál deze werkgroepen mee te maken hebben gekregen, is het zogenaamde ‘CU-TU-DU' probleem. Dit probleem is één van de meest hardnekkige en fundamentele pijnpunten van de GS1 nummeringsstandaard, zoals eerder dit jaar al uitvoerig werd toegelicht in Bulletin 2005/1.
Als de verschillende projecten tot nog toe al iets hebben duidelijk gemaakt, dan wel dat elke deelnemer aan de werkgroepen allereerst een eigen agenda heeft en vooral de eigen belangen verdedigt. Voor de MOs is dat de bestaande nationale implementatie, die al dan niet verankerd is in een nationale User Guide; voor de multinationals is dat de interne bedrijfsfilosofie. Met de grote, achterliggende principes is iedereen het steeds eens, tot het moment dat daar praktische beslissingen moeten op volgen...
Dat de werkgroepen tot resultaten zullen komen waarmee niet iedereen in de GS1 Europe-landen het eens zal zijn, staat buiten kijf. Het is nu zaak deze werkgroepen hun ‘deliverables' te laten produceren en erover te waken dat die geen elementen bevatten die ingaan tegen EANCOM® of de GS1 nummeringsstandaard.