GS1 Belgilux

GRAIs en het DESADV-bericht:De zoektocht naar de Heilige GRAI

Wie voor tracering gebruik wil maken van het DESADV-bericht, doet er best aan ook een aantal knopen door te hakken die met herbruikbare productdragers (leeggoed) te maken hebben. De weinig bekende GRAI (Global Returnable Asset Identifier) is een krachtig wapen voor een optimaal beheer van herbruikbare productdragers. Hoog tijd voor een nadere kennismaking.

Bij het almaar toenemende belang van tracering en, daarbij aansluitend, van het gebruik van het DESADV-bericht, komen ook een aantal andere facetten van het logistieke gebeuren steeds nadrukkelijker in beeld. De problematiek van de productdragers --- in de betekenis van een entiteit die normaliter enkel wordt gebruikt voor het opslaan en/of transporteren van goederen --- is er zo een. Pallets zijn daarvan het meest voor de hand liggende voorbeeld, maar ook flessen, kratten, dozen, rekken, vaten, containers e.d.m. komen veelvuldig voor. Doorgaans is het de bedoeling om ze opnieuw te gebruiken, omdat het gaat over duur materiaal. Vermits dergelijke productdragers dus een belangrijk kapitaal vertegenwoordigen, spreekt het voor zich dat het voor de eigenaar van het grootste belang is in de gaten te houden waar ze belanden.

GRAI

Om een en ander systematisch te kunnen opvolgen, is het nodig dat deze dragers worden geïdentificeerd, bijvoorbeeld met één van de vertrouwde GS1 Identificatiesleutels. Op het eerste gezicht lijkt het erop dat het klassieke GTIN (Global Trade Item Number) of de al even bekende SSCC (Serial Shipping Container Code) hier aanvaardbare opties zijn, maar de GS1-standaarden hebben nog een beter alternatief in petto: de GRAI.

De GRAI (Global Returnable Asset Identifier) is een mengvorm van GTIN en SSCC. Inderdaad, afhankelijk van wat de gebruiker ermee wil, kan het de betekenis hebben van een pure GTIN (maar dan voor ‘returnable assets'), of van een combinatie van een reeksnummer (zoals in de SSCC) en de GTIN. Een blik op de structuur van de GRAI maakt meteen duidelijk wat hiermee wordt bedoeld: 

Uit deze structuur blijkt dat de GRAI een combinatie is van een vast gedeelte met GTIN-13 structuur en een variabel serienummergedeelte. Dit serienummer is optioneel: als het niet wordt gebruikt, is het de visu niet mogelijk om een GRAI te onderscheiden van andere 13-cijferige GS1 nummers als GTINs of GLNs. Zonder dat serienummer gedraagt de GRAI zich trouwens ook als een GTIN, met dien verstande dat er een ‘returnable asset' mee wordt geïdentificeerd in plaats van een handelseenheid. Naar analogie van het GTIN bestaat het vaste gedeelte van de GRAI dan ook uit het GS1-bedrijfsprefix en een ‘Asset Type'.

Als het serienummer wél wordt gebruikt, dan zal de GRAI zowel een bepaalde soort productdrager definiëren als één enkele 'vertegenwoordiger' uit die groep. Deze eigenschap komt gebruikers van de GS1-standaarden allicht bekend voor, want het is eenzelfde functionaliteit als de SSCC, waarmee het mogelijk is een individueel item te identificeren. De GRAI combineert dus beide mogelijkheden.

Zoals blijkt uit bovenvermelde structuur, bestaat het vaste gedeelte van de GRAI steeds uit 13 cijfers. Het optionele serienummer kan tot 16 posities lang zijn en hoeft in principe niet uit cijfers te bestaan. Een en ander betekent dat de GRAI over een grotere nummeringscapaciteit beschikt (tot 16 posities) dan de SSCC, waarvoor de eigenaar maximaal ‘slechts' 10 cijfers vrij kan kiezen.

In beide gevallen, met of zonder serienummer, moet de GRAI op een duurzame manier worden aangebracht op de productdrager, in principe dus zeker niet met een papieren etiket.

DESADV

Voor tracering van GRAIs moet uiteraard het DESADV worden gebruikt. Hoe gaat dat in zijn werk?

Het spreekt voor zich dat GRAIs kunnen voorkomen op alle verpakkingsniveaus van een logistieke eenheid. Indien een niveau (pallet, karton, ...) is geïdentificeerd met een GRAI, dan kan de verzender dat aangeven met een combinatie van het CPS- en PAC-segment. Het CPS-segment ‘triggert' het verpakkingsniveau; het PAC-segment dat daar meteen op volgt, ‘initieert' alle informatie m.b.t. de verpakking. In het geval van een GRAI is dat zelfs veel eenvoudiger dan bij een willekeurige, niet-standaard verpakking, omdat een GRAI al voor de verzending volledig was gedefinieerd en er behalve de GRAI zelf geen extra informatie (zoals type, eigenaar, adresgegevens) meer moet worden meegedeeld over de verpakking, vermits die in de GRAI vervat zit.

Het enige element dat voor kort ontbrak in EANCOM®, was, vreemd genoeg, een ‘qualifier' die aangeeft dat de verpakking (asset) reeds is geïdentificeerd via een GRAI. Via de combinatie van de segmenten PCI-GIN kon immers wel al worden aangegeven dat een verpakking een SSCC droeg, zoals in volgende theoretische passage wordt herhaald (tussen haakjes staat telkens het segmentnummer in EANCOM® 2002):

...
(22) CPS+...'
(23) PAC+1'
(27) PCI+33E'
(30) GIN+BJ+<SSCC-1>'
...

Na een Change Request van GS1 Belgium & Luxembourg heeft het TDT, d.i. de internationale technische werkgroep van GS1 International, naar analogie hiervan onlangs volgende codes toegevoegd aan de data-elementen 4233 (PCI) en 7405 (GIN):

DE 7405 ("Object identification code qualifier"):
RAG = GS1 Global Returnable Asset Identifier (EAN Code)

DE 4233 ("Marking instructions code"):
41G = Marked with GS1 Global Returnable Asset Identifier (EAN Code)

Deze codes mogen vanaf nu dus worden gebruikt in het DESADV-bericht van EANCOM® 2002. Een GRAI kan hierin bijgevolg als volgt worden aangeduid:

...
(22) CPS+...'
(23) PAC+1'
(27) PCI+41G'
(30) GIN+RAG+<GRAI-2>'
...

Dit verandert natuurlijk niets fundamenteels aan het DESADV; hoogstens kunnen de gebruikers duidelijker en preciezer aangeven hoe ze met hun herbruikbare productdragers omgaan. Voor het overige blijven uiteraard de bekende DESADV-structuren van toepassing.