GS1 Belgilux

Algemene Vergadering en Interchange 2005

nr: 2005 - 1

Op 15 maart jl. vonden in het Sofitel hotel te Diegem de Algemene Vergadering van GS1 Belgium & Luxembourg evenals de studiedag Interchange plaats. In totaal namen meer dan 220 geïnteresseerden deel aan beide evenementen. Centrale onderwerpen waren data synchronisatie, de nieuwe standaarden op het vlak van radiofrequentie identificatie en traceerbaarheid. Een verslag van deze goed gevulde studiedag.

Tijdens de Buitengewone Statutaire Algemene Vergadering die aan de studiedag voorafging, werd de naamsverandering van EAN Belgium•Luxembourg naar GS1 Belgium & Luxembourg goedgekeurd. GS1 of  ‘number ONE in global stan- dards' staat voor de nieuwe generatie krachtige sectoroverschrijdende standaarden ontwikkeld tot één geïntegreerd systeem (zie artikel in de rubriek Info).

Nadien volgde de studiedag met als thema ‘Applying Global Standards', voorgezeten door de heer MICHEL  EECKHOUT, Senior Vice President and Chief Information Officer van Delhaize Group en voorzitter van GS1 Belgium & Luxembourg. Hij gaf een overzicht van  de activiteiten van het voormalige EAN Belgium•Luxembourg in 2004. Op het vlak van automatische identificatie ging dit jaar opnieuw veel aandacht naar het luik ‘traceerbaarheid'. EAN Belgium• Luxembourg en ECR Belgium verleenden hun medewerking aan een praktische handleiding voor de leverancier voor de etikettering van logistieke eenheden en voor datacommunicatie in het kader van traceerbaarheid. Bedrijven kunnen be-roep doen op de dienstverlening en het advies van GS1 Belgium & Luxembourg voor de correcte realisatie van het logistiek etiket.

Verder schonk EAN Belgium•Luxembourg aandacht aan de nieuwe technologieën RFID (Radio Frequency Identification) en EPC (Electronic Product Code), evenals aan de nieuwe compacte symbolen RSS en Data Matrix. Michel EECKHOUT gaf aan dat een aantal bedrijven RFID/EPC pilootprojecten opgestart hebben en dat een nauwe opvolging van deze nieuwe technologie een noodzaak is, wil een bedrijf competitief blijven op de markt.

Op EDI vlak werd, sinds de publicatie van de Belgische wetgeving over de elektronische factuur, vooral werk gemaakt van de praktische uitwerking en toepassing ervan. Daarnaast bestudeert een werkgroep DESADV (Despatch Advice) de toepassing van dit bericht in het kader van traceerbaarheid.

De CDB (Central Data Bank) is verder uitgegroeid tot een stabiel en performant systeem. Momenteel zijn er 44 gegevens-aanbieders en 8 gegevensafnemers aangesloten, een aantal dat ongetwijfeld sterk zal toenemen. Zoals zal blijken uit verdere uiteenzettingen wordt 2005 een scharnierjaar voor data synchronisatie.

De CDB wordt voortdurend uitgebreid. Zo werd in 2004 de EAN•UCC GPC (EAN•UCC Global Product Classification) deels in de CDB geïntegreerd. GPC laat bedrijven toe interne classificatiesystemen beter af te stemmen op die van hun handelspartners en de informatiestroom tussen partners onderling nog meer te stroomlijnen. Verder heeft EAN Belgium• Luxembourg werk gemaakt van de interoperabiliteit tussen de CDB en andere datapools zoals WWRE/WIM (Worldwide Retail Exchange) en TRANSORA. Bedrijven kunnen bovendien gebruik maken van de meest moderne protocollen, zoals AS2, voor beveiligde Internet communicatie.

Michel EECKHOUT bracht tot slot de strategieën van GS1 Belgium & Luxembourg voor 2005. Wat betreft de B2B ontwikkelingen zal ruime aandacht uitgaan naar de promotie van data synchronisatie in de bedrijven, het gebruik van XML berichten, de integratie van nieuwe attributen, de uitbreiding van de CDB naar nieuwe sectoren, de volledige implementatie van GPC en de interoperabiliteit met andere marktspelers, onder andere in het kader van GDSN (Global Data Synchronisation Network). Verder zal werk gemaakt worden van de implementatie van de elektronische factuur en actieve participatie in GSMP (Global Standards Management Process). Andere prioriteiten zijn de nieuwe technologieën zoals EPC, compacte symbolen en XML/EDI. Voor het luik ‘traceerbaarheid' staan de veralgemening van het logistiek etiket en het EDI DESADV op het programma, evenals de uitwerking van Best Practices voor alle sectoren. Tot slot haalde Michel EECKHOUT aan dat communicatie tussen GS1 Belgium & Luxembourg en haar leden van kapitaal belang is om de EAN•UCC standaarden op een correcte manier te implementeren, met speciale aandacht voor de vele KMO bedrijven die onze vereniging telt.

Volgend op de inleiding van Michel EECKHOUT werden een aantal praktijk toepassingen uiteengezet, waarvan hierna een samenvatting volgt.

Van EAN naar GS 1 - nieuwe uitdagingen

Miguel Lopera - CEO GS 1

Toen Miguel LOPERA zowel bij de GS1 Head Office als bij GS1 US tot CEO benoemd werd, kreeg hij de opdracht de huidige organisatie op twee niveau's drastisch te wijzigen. Eerst en vooral is het zijn taak ervoor te zorgen dat de lokale EAN ledenorganisaties in de toekomst meer als één globale organisatie optreden, en ten tweede moet het EAN•UCC systeem nog meer gedreven worden door de gebruikers.

Als één globale organisatie optreden zou betekenen dat de nationale organisaties in de toekomst minder onafhankelijk van elkaar beslissingen mogen doorvoeren, m.a.w. dat zij meer met elkaar zullen moeten samenwerken en overleggen. Om de gedachtegang van ‘One vision, One voice, One organisation' te versterken vond de EAN gemeenschap het noodzakelijk om deze visie ook in de naam van de organisatie te vertalen. Aldus werd geopteerd voor ‘GS1' of   ‘number ONE in global standards'.

De organisatie zal moeten evolueren van een volwassen organisatie die enkel standaarden creëert naar een organisatie die naast het ontwikkelen van standaarden ook een totaalpakket van diensten aanbiedt.

De globale visie van GS1 is  ‘de nummer 1 standaardorganisatie in de wereld voor het beheer van de supply en demand chains'. De missie van de organisatie is ‘open, globale en multi-sectorale standaarden te promoten en te ontwikkelen met als doel de efficiëntie en zichtbaarheid van de globale supply en demand chain te verbeteren'. GS1 is een organisatie zonder winstoogmerk die haar neutraliteit t.o.v. de handelspartners bewaart. Het is tevens een sterke gebruikers- en overheidsgedreven organisatie die haar diensten aan zowel KMO's als multinationals aanbiedt. GS1 is tenslotte een platform waar overeenkomsten in samenwerkingsverband tussen handelspartners ontstaan.

Voor 2005 ziet het strategische Master Plan van GS1 er als volgt uit:

  • De core business (m.n. implementatie van automatische identificatie en e-business) versterken
  • Een uitgebreide portfolio van diensten aanbieden zoals:

            • GDSN (Global Data Synchronisation

              Netwerk),

            • EPC (Electronic Product Code),

            • traceringsoplossingen die een

        antwoord kunnen bieden aan de

        wettelijke vereisten terzake,

            • het opstarten van een Global

        Upstream Supplier Initiative.

  • Bestaande markten uitbreiden en open staan voor nieuwe markten (zo wordt 2005 voornamelijk toegespitst op de gezondheidssector, kleding en textiel, transport & logistiek en de publieke sector).

De sleutelfactoren die belangrijk zijn om de vooropgestelde doelstellingen te verwezenlijken zijn volgens Miguel LOPERA:

1.         Een optimaal standaardisatieproces nastreven, d.i. GSMP (Global Standards Management Process).

2.         De GS1 organisatie verbeteren.

3.         Sterke banden creëren, zowel tussen GS1 ledenorganisaties onderling als met de gebruikers van het EAN•UCC systeem.

‘One Global Voice' houdt concreet in dat alle GS1 ledenorganisaties:

  • eenzelfde naam zullen dragen
  • eenzelfde corporate identity krijgen
  • eenzelfde portfolio van standaarden, oplossingen en diensten aanbieden
  • eenzelfde marketing plan gebruiken
  • eenzelfde communicatie plan gebruiken.

GS1 zal uit de volgende deelorganisaties bestaan: de Head Office, GDSN Inc., EPC global Inc. en de lokale GS1 ledenorganisaties.

Het is de opdracht van GS1 om te zorgen dat wereldwijd de beste mensen ingezet worden om deze globale aanpak in samenwerkingsverband te promoten en te realiseren. Miguel LOPERA gelooft dat deze moeilijke opdracht kan waargemaakt worden en eindigde met de slagzin ‘Nothing is impossible ! This will happen if we work together'.

Waarom is Data Synchronisatie zo belangrijk voor Carrefour?

Renaud Cosyns, verantwoordelijke commerciële administratie bij Carrefour Belgium

Renaud COSYNS ging in op de vraag waarom data synchronisatie van strategisch belang is voor Carrefour en waarom het veralgemeend gebruik van datapools zoals de CDB daarbij een belangrijke rol speelt.

Hij begon met enkele sprekende cijfers voor Carrefour Belgium:  

  • Jaarlijks 50.000 productintroducties en 450.000 wijzigingen.
  • Maandelijks 50.000 facturen, 7.000 prijsveranderingen, 18 miljoen colli.
  • Dagelijks ontvangst van 700 vrachtwagens.
  • Beheer van 260.000 producten door 40 personen van de administratieve staf, bijgestaan door 250 personen uit de afdelingen aankoop, marketing en bevoorrading.
  • De Help Desk van Carrefour Belgium telt 20 personen en 60 personen houden zich bezig met de afhandeling van betwistingen vooral als gevolg van slechte data synchronisatie.

Wereldwijd beheert Carrefour tot 2,5 miljoen producten en zo'n 10.000 personeelsleden zijn actief bij het oplossen van betwistingen. 

De doelstelling van Carrefour is de artikelgegevens - via een elektronische catalogus - te synchroniseren om aldus de commerciële, bevoorradings- en administratieve processen substantieel te verbeteren. Een ander objectief is een hogere reactiviteit bij het invoeren van nieuwe producten. De doorlooptijd, die nu zo'n 5 weken bedraagt, zou na een adequate gegevenssynchronisatie tot 2 weken moeten herleid worden.

Datasynchronisatie heeft de volgende voordelen: hogere betrouwbaarheid van de productinformatie en van zijn update; administratieve optimalisatie; minder stockbreuken en beperking van het aantal betwistingen. 

De gegevensaanbieders (leveranciers) hebben vier mogelijkheden om hun informatie bij Carrefour op te laden:

1.         via de lokale datapools zoals CDB (België en Luxemburg), AECOCnet (Spanje), EANnet.fr (Frankrijk).

2.         via internationale e-catalogen zoals WWRE en Transora.

3.         rechtstreekse bilaterale overdracht voor sommige traditionele aanbieders;

4.         via een portal/webforms voor de kleine leveranciers.

Aanvullende landgebonden gegevens (voorbeeld FOST+/Val-I-Pac in België) zullen via portal/webform worden toegevoegd. De informatie zal ook nog intern worden verrijkt. Eenmaal de informatie van een gegevensaanbieder opgenomen in de Carrefour databank, zal de aanbieder hiervan een bewijs van synchronisatie ontvangen. De internationale standaarden (EANCOM®, XML) zullen gerespecteerd worden, maar Carrefour wenst niet te wachten op de eindgoedkeuring van alle specificaties (vb. prijsvoorwaarden) vooraleer van start te gaan.

Er bestaat een prototype pilootproject voor Frankrijk en een gelijkaardig project voor België zal van start gaan tijdens het laatste trimester 2005. Henkel en L'Oréal hebben hun medewerking reeds aangeboden. In de loop van 2006 moeten 60% van de Carrefour Belgium leveranciers ingeschakeld zijn en eind 2007 moet de koppeling van alle leveranciers achter de rug zijn. Gepaste maatregelen moeten zorgen voor de definitieve overgang van manuele naar automatische captatie.  Alle leveranciers zullen immers in staat moeten zijn om zich met één van de vier aangeboden mogelijkheden te koppelen aan de Carrefour Belgium databank.

De voorbereiding tot data synchronisatie bij Carrefour Belgium was omslachtig en complex. Vertrekbasis was een geïntegreerde database (SAP). Vervolgens werden alle procedures van referencering herbekeken en zijn de interne gegevensstromen (workflows) van begin tot einde, d.i. van aankoopvoorstel tot aanwezigheid in de winkelrekken, in kaart gebracht.

Er werden scorecards ontworpen voor de opvolging van de verschillende actoren in de workflows. De resultaten toonden aan dat 80% van de activiteiten te laat werden uitgevoerd. Dankzij de scorecards is de rol van elk van de actoren duidelijk vastgelegd en bevestigd. Een maquette moet de actoren een beter inzicht verstrekken in de interne relaties die binnen de workflows bestaan.  Ondanks enig onbegrip en ongeloof bij de opstart, wordt het resultaat nu door eenieder als zeer positief ervaren.

Renaud COSYNS eindigde zijn betoog met een duidelijke boodschap naar de leveranciers. De grote les die Carrefour Belgium heeft geleerd uit zijn voorbereiding tot data synchronisatie is: begin er tijdig aan! Een en ander vraagt veel moeite en tijd en eenieders inzet. Gebruik daarbij de CDB. Het is het ideale instrument om zich voor te bereiden op de belangrijke opdracht van data synchronisatie. De CDB biedt de nodige interface modellen en door de CDB te gebruiken maken bedrijven zich vertrouwd met de procedures van gegevenscontrole. Aarzel niet langer, begin er nog vandaag aan!

Data Synchronisatie: een jaar ervaring bij L'Oréal

Anne Colmant, ECR Development - Logistics Project Manager L'Oréal Belux

Anne Colmant bracht haar getuigenis van één jaar ervaring met data synchronisatie in het algemeen en met het gebruik van de CDB in het bijzonder.

De L'Oréal groep is wereldmarktleider in de cosmetische industrie, meer bepaald in de sectoren: haarverzorging, maquillage, huidverzorging en parfums. De  groep levert aan vier verschillende distributiekanalen: kapsalons, grootdistributie, grootwarenhuizen/parfumerie en apotheken/parafarmacie.

In België en Luxemburg zijn vier afdelingen actief: producten voor professionelen, producten voor het grote publiek, luxe producten en actieve cosmetica. De grootste productie-eenheid van de groep bevindt zich in Libramont, twee distributiecentra zorgen voor de bevoorrading van België en Luxemburg.

Hoewel L'Oréal Belux deel uitmaakt van een internationale groep, is haar commerciële politiek zeer lokaal gericht. L'Oréal Belux heeft snel ingepikt op de vraag van één van haar klanten om te gaan werken met een elektronische catalogus, in casu de CDB. Dit gebeurde via een pragmatische aanpak en in volledige samenwerking met de klant.   

Waarom werd hierbij gekozen voor de CDB? De vele L'Oréal referenties alsook de frequente lanceringen, vernieuwingen en promoties vereisen vanwege de distributeur een grondig beheer en een complexe opvolging. De CDB levert hiervoor het geschikte instrument.

Van bij de start heeft L'Oréal ervoor geopteerd om hulpmiddelen te ontwikkelen die de rechtstreekse koppeling aan de CDB via EDI berichten, zonder enige manuele interventie, mogelijk moesten maken. L'Oréal is ook een actieve deelnemer aan de CDB werkgroepvergaderingen van GS1 Belgium & Luxembourg zodat het bedrijf, samen met andere gegevensaanbieders en -afnemers, de evolutie van de CDB kan mee sturen en evalueren.

Eerst werd gestart met een pilootproject met Delhaize, waarna alle nieuwe producten in de CDB gepubliceerd werden. Daarna volgden de overige artikelen uit de L'Oréal catalogus en nu overweegt L'Oréal de publicatie van promotionele aanbiedingen in "private" modus (bilaterale uitwisselingen met telkens één distributeur).

L'Oréal heeft een instrument ontwikkeld om informatie uit de eigen interne database te halen om ze daarna via EDI berichten in de CDB op te laden. Op het ogenblik van de extractie uit de lokale database gebeurt enerzijds een controle op de gegevenssamenhang om te kunnen voldoen aan de attribuutvereisten van de CDB en anderzijds een verrijking van bepaalde gegevenselementen. Na de publicatie ontvangt L'Oréal een controlelijst die de goede integratie in de CDB bevestigt en die de eventuele fouten van de CDB kwaliteitsmodule aangeeft. 

Vermits de CDB volgens het ‘push' principe werkt, komt de nieuwe informatie bijna onmiddellijk na publicatie bij de gegevensafnemers terecht. De time-to-market wordt dus bijzonder klein, hetgeen ook nodig is in de cosmetica sector. Want kom je te laat met de nieuwe modekleuren, dan kan je de marktintroductie wel vergeten. 

De voordelen zijn  veelvuldig:

  • Simultane synchronisatie van de databases bij elk van de handelspartners, waardoor steeds de meest recente informatie beschikbaar is;

 •   Het  is

niet nodig om nog langer manueel technische productfiches in te vullen en ze per e-mail te versturen;

  • Maakt een einde aan het veelvuldig manueel herinvoeren van steeds dezelfde informatie, met alle risico's van dien inzake foutieve invoer;
  • Vermindering van de administratieve opdrachten met weinig toegevoegde waarde;
  • Beperking van het aantal coderingsfouten doorheen de toeleveringsketen;
  • Veel minder risico's op factuurbetwistingen en op vertragingen inzake betalingen;
  • Implementatie vereist en creëert een nauwe en verrijkende samenwerking met de handelspartner.

L'Oréal verkiest een datapool boven bilaterale B2B relaties, want werken aan het vastleggen van een standaard vermijdt de verplichting om met elk handelspartner afzonderlijk en dus specifiek te werken. Bovendien kiest L'Oréal resoluut  voor de CDB: uitgaande van hun pragmatische aanpak vindt het bedrijf dat er ook op het domein van de data synchronisatie binnen de lokale context gewerkt moet worden. De connectiemogelijkheden via het Internet en via XML berichten (men hoeft niet per se te werken met de relatief dure EDI techniek) maken de CDB bovendien toegankelijk en interessant voor grote en kleine gebruikers.

Zoals het geval voor elke vorm van samenwerking creëert ook data synchronisatie toegevoegde waarde voor de bedrijven. Het beheersen en structureren van de informatiestromen laat bedrijven toe om hun fysieke goederenstromen en financiële stromen te vereenvoudigen en te optimaliseren. Tegelijkertijd worden een aantal administratieve taken met weinig toegevoegde waarde geëlimineerd.

Na de interne synchronisatie wordt nu de data synchronisatie met de lokale handelspartners in elk van de landen aangepakt.  Dankzij de interoperabiliteit tussen de diverse datapools wordt bij L'Oréal data synchronisatie op wereldvlak met vertrouwen in het vooruitzicht gesteld.

RFID : overzicht van huidige pilootprojecten - Hoe zich positioneren in een wereld in beweging?

Pascal PETIT, vennoot Kurt Salmon Associates

KSA (Kurt Salmon Associates) is van bij het begin nauw betrokken bij een aantal pilootprojecten in RFID en EPC die door grote retailers en fabrikanten werden opgestart. KSA is aldus goed geplaatst om een overzicht te geven van de huidige gerealiseerde pilootprojecten.

Uit de cijfers van Pascal PETIT blijkt dat bij zo'n 70% van de top 20 retailers pilootprojecten op pallet en colli niveau lo-pende zijn. Slechts 18 % van de retailers heeft plannen om binnen 12 tot 24 maanden een pilootproject op eenheidsniveau op te starten. Op korte termijn zouden deze laatste pilootprojecten echter wel aan belang toenemen.

Pascal PETIT gaf de evolutie van RFID   grafisch weer (zie figuur hiernaast). Rond 1999-2000 ontstond een eerste ‘trigger' die RFID als technologie plots erg in trek maakte. In 2002 waren  de verwachtingen zo hoog gespannen dat de eerste pilootprojecten opgestart werden. Vervolgens, in 2003 en 2004, ging men de technologie beter analyseren en kwamen de eerste kinderziektes naar boven. Daardoor gingen een aantal ‘disbelievers' hun ongeloof in de technologie uiten (geïllustreerd door de sterk dalende lijn in de curve). Eens men de technologie begon te beheersen, gingen de ‘primary believers' tot de reële implementatie over. Vanaf dat moment begint de curve weer te stijgen. Momenteel is de markt gepositioneerd juist onderaan deze stijgende lijn.

Wat hebben we tot op heden geleerd over deze technologie?

  • RFID is geen ‘Plug & Play' technologie. Zij is vrij complex en men moet eerst alle deelcomponenten van het systeem (tags, lezers, frequenties,...) goed begrijpen vooraleer men het kan gebruiken.
  • De implementatie van RFID is in elke situatie anders: zo kan RFID perfect werken in labo omgeving en dan heel wat minder in logistieke omgeving (omwille van mogelijke externe storende factoren). RFID veelvuldig testen is daarom onontbeerlijk alvorens tot de echte implementatie over te gaan.
  • De implementatie van RFID is complex: er moet beroep gedaan worden op verschillende partners en materiaalfabrikanten met verschillende knowhow.
  • Meestal zijn de voordelen van deze technologie bij de implementatie niet meteen zichtbaar: toegevoegde waarde wordt meestal pas zichtbaar wanneer de volledige roll-out doorgevoerd is.

Wat staat al met zekerheid vast over   RFID?

  • RFID biedt significante voordelen voor de meeste Retail Supply Chain toepassingen. Zo bijvoorbeeld verhoogt de productiviteit in zowel het distributiecentrum als in de back-store met gemiddeld 10 à 15% en verminderen de voorraadbreuken met 10 à 15%.
  • De technologie is zeker al voldoende volwassen en kostenbesparend om toepassingen zoals het identificeren en traceren van hergebruikbare goederen, pallets en colli te rechtvaardigen.
  • Verschillende RFID frequenties kunnen naast elkaar gebruikt worden om aan specifieke behoeften te voldoen (13,56 MHz, UHF, ...).
  • Standaardisatie wordt stilaan een feit voor wat betreft de frequenties, air protocollen en EPC codering.

Wat is nog altijd onzeker?

  • De snelheid waarmee de kostprijs van tags zal dalen.
  • Wanneer 100% leesbaarheid zal bereikt worden.
  • Of 100% leesbaarheid zal kunnen gegarandeerd worden voor alle productcategorieën.
  • Of materiaalfabrikanten er baat bij zullen hebben om per productcategorie verschillende oplossingen op de markt te brengen.
  • De implementatiekost van RFID (middelware, kost van de dataver-werking, ...).
  • Of RFID in de winkelpunten tot op eenheidsniveau zal gebruikt worden.
  • Hoe consumenten zullen reageren, bijvoorbeeld wanneer de klantenkaart van een tag zal voorzien worden ( ‘privacy' wetgeving!).

Pascal PETIT gaf vervolgens aan hoe RFID providers de markt verder zien evolueren in de komende jaren. Zij onderscheiden 3 types van retailers : de ‘early movers', de ‘rapid followers' en de ‘wait and see' retailers.

De ‘early movers' zijn retailers (zoals Wal-Mart, Tesco, Metro AG, ...) die vandaag reeds RFID testen voor verschillende toepassingen doorlopen hebben (o.a. tags op pallets, colli en eenheidsniveau in DC en winkelpunt). Zij willen de eerste zijn om van business voordelen te genieten en hebben reeds meer dan 2 jaar kennis opgebouwd in dit domein.

De ‘rapid followers' doen gerichte RFID testen op meer specifieke productcategorieën (kledij, duurdere objecten, ...) en voeren testen uit voor een beter beheer van hun hergebruikbare goederen. Zij willen tegen minimale kost een in-terne kennis op-bouwen waardoor zij snel kunnen reageren op de markt, wanneer RFID zou doorbreken. Zij hebben reeds    1 à 2 jaar kennis.

De ‘wait and see' retailers staan nog vrij sceptisch tegenover de technologie. RFID is voor hen geen korte termijn prioriteit en zij hebben nog geen RFID kennis opgebouwd.

Tot slot beschreef Pascal PETIT de evolutie van RFID vanuit het perspectief van de leveranciers. Wanneer leveranciers RFID pilootprojecten opstarten, moeten zij eerst onderzoeken of RFID hen bepaalde business voordelen biedt (beter schapbeheer, minder shrinkage, minder left-over, minder diefstal, ...). Vervolgens speelt de kans om al dan niet aangesproken te worden door retailers om mee te werken aan een RFID project.  Die kans is het grootst in productcategorieën met een hoge ROI zoals o.a. kledij. De RFID implementatie bij de leverancier is bovendien sterk afhankelijk van de graad van maturiteit van zijn supply chain en de verstand-houding met zijn klant-distributeur.

De implementatie van traceerbaarheid in een PGC warehouse

Philippe Valenne, logistieke coördinator CORA

Bij wijze van inleiding verduidelijkte Philippe VALENNE het begrip ‘traceerbaarheid'. De opeenvolgende voedingscrisissen in het verleden liggen aan de basis van de huidige wetgevingen inzake traceerbaarheid. Belangrijk voor de Belgisch-Luxemburgse bedrijven zijn de General Food Law (Europese verordening EG 178/2002) en het KB van 14/11/2003 inzake autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid in de voedselketen.  Beide wetgevingen zijn van kracht sinds 1 januari 2005 en moeten nageleefd worden door alle operatoren van de voedselketen. Hierbij is elke operator verantwoordelijk voor het registreren van alle gegevens met betrekking tot de aan- en afgevoerde producten.

Sinds de publicatie van de Belgische wetgeving (eind 2003), heeft CORA alle gegevens bij elkaar gezocht om traceerbaarheid in het bedrijf te kunnen garanderen. Tijdens het eerste semester van 2004 werd besloten een IT project rond traceerbaarheid op te starten, dat later op de 2 platformen van de afdeling ‘voeding' (PGC & PF) zou gebruikt worden. Verder was CORA een actieve deelnemer aan   de werkgroep van GS1 Belgium & Luxembourg die samen met andere Belgische distributeurs, en in een latere fase ook met ECR Belgium, een praktische handleiding voor de etikettering van logistieke eenheden en voor datacommunicatie in het kader van traceerbaarheid heeft opgesteld.

In het tweede semester van 2004 werd het bovenvermelde IT project bij CORA gevalideerd. Vanaf dit ogenblik heeft CORA al zijn voedingsleveranciers aangeschreven en hen opgelegd om vanaf   1 januari 2005 de etiketteringsvereisten opgenomen in eerder vermelde handleiding na te leven. Dit impliceert dus het gebruik van het EAN•UCC Logistics Label met de SSCC als sleutelgegeven. Ook het gebruik van het EDI DESADV (Despatch Advice) bericht wordt sterk aangemoedigd. CORA bereidt zich intern voor op de EDI DESADV implementatie en neemt deel aan de EDI DESADV werkgroep van GS1 Belgium & Luxembourg.

Bij de praktische uitwerking van het traceringsproject, heeft CORA het systeem verder verfijnd naar het type tracering. Aan elk producttype wordt een traceringsprofiel toegekend. Zo bijvoorbeeld moet het etiket van FMCG steeds een Best Before datum (AI 15) bevatten, terwijl snel bederfbare goederen een Use By datum (AI 17) in plaats van een Best Before mogen bevatten. Per type product weet men zo welke AI's minimaal moeten voorkomen op het etiket.

Bij CORA wordt de tracering gegarandeerd op basis van de SSCC. Deze SSCC wordt niet enkel aan de goederenreceptie gebruikt, maar ook voor stockage en expeditie, m.a.w doorheen het volledige interne circuit. Dit geldt voor alle binnenkomende pallets die niet opnieuw gepalletiseerd worden. Bij herpalletisatie brengt CORA zelf een SSCC aan. Dit laatste geldt eveneens voor niet geëtiketteerde pallets die aan de goederenreceptie binnenkomen.

Verder demonstreerde Philippe VALENNE de praktische werking van het interne traceringsysteem. Dit systeem laat toe palletgegevens snel en eenvoudig terug te vinden en bevat voor elke pallet: SSCC, lotnummer, adrescode in de opslagplaats, Best Before datum, datum van binnenkomst, ... Verder kan ook nagegaan worden of de pallet net in ‘picking' is, ergens in het magazijn staat of reeds verbruikt is. Bovendien laat het systeem toe pallets zowel opwaarts als neerwaarts in de keten te traceren.

Bij neerwaartse tracering kan men terugvinden naar welke winkel een pallet verstuurd werd en wanneer. Bij opwaartse tracering kan men precies terugvinden welk parcours een pallet bij CORA heeft afgelegd en van welke leverancier de pallet afkomstig is, de datum van receptie, alsook andere gegevens die gerelateerd zijn aan de pallet (lotnummer, Best Before datum, vervaldatum, ...).

De voornaamste problemen die CORA vandaag nog ondervindt op het vlak van tracering zijn:

  • Hoe meer logistieke dienstverleners in de keten, hoe meer problemen.
  • De betrouwbaarheid van de etiketten: niet alle etiketten zijn even goed scanbaar of bevatten de juiste informatie (de controledienst van GS1 Belgium & Luxembourg is werkelijk onmisbaar).
  • Verschillende wetgevingen en interpretaties van wetgevingen in de verschillende landen.
  • De juiste gegevens verkrijgen van de leverancier is niet altijd even evident.
  • Het feit dat er geen harmonisatie bereikt werd voor lotnummers.
  • In geval van ‘flux tendu' zijn pallets dikwijls zeer klein en zij bevatten bijna altijd productreferenties met meerdere lotnummers.
  • Multi-lot pallets vormen nog steeds een probleem, ondanks de pogingen binnen de GS1 werkgroep om hier-over consensus te bereiken.
  • Moeilijkheden bij de implementatie van het DESADV bericht: de meeste leveranciers en distributeurs hebben hiervoor nog niet de nodige infrastructuur.

De voordelen die CORA ondervonden heeft nu het traceringssysteem geïmplementeerd is, zijn:

  • De goederenreceptie werkt nu veel beter en preciezer, waardoor een grotere visibiliteit ontstaat.
  • De goederenreceptie gaat ook sneller, er zijn minder wachtende leveranciers.
  • Mogelijkheid om een doelgerichte recall te doen.
  • Een betere opvolging van de pallets bij cross-docking is nu mogelijk.

Tot slot haalde Philippe VALENNE aan dat vandaag 209 van de 579 voedingsleveranciers bij CORA in orde zijn met de etikettering van hun logistieke eenheden. De ande- ren worden aangespoord om hun etiketten zo snel mogelijk in orde te brengen. Want enkel als iedereen meewerkt, kan een goede tracering gegarandeerd worden.

Clustering & Predictie

Luc Verbist, directeur ICT DE PERSGROEP

De Persgoep is één van de belangrijke spelers in het Belgische medialandschap. De groep staat vooral bekend als uitgever, want hij is eigenaar van Het Laatste Nieuws, de grootste Vlaamse krant, en De Morgen, en aandeelhouder van L'Echo. Hij bezit ook de ‘city-magazines' Zone 02, Zone 03 en Zone 09, populaire weekbladen als Dag Allemaal en Familie, alsook een aantal lifestyle maandbladen. In de audiovisuele sector is De Persgroep hoofd- aandeelhouder van de Antwerpse regionale zender ATV, en van VMMa, de Vlaamse Media Maatschappij, de eigenaar van de commerciële zenders VTM, Kanaal 2 en Jim TV. Ook op het Internet is de groep steeds prominenter aanwezig.

In zijn uiteenzetting ‘Clustering & predictie' lichtte Luc Verbist een logistiek probleem toe dat zich stelt bij de losse verkoop van kranten en tijdschriften, met name Het Laatste Nieuws, waarvan bijna 80% wordt verkocht in losse verkoop, en de oplossing voor de problematiek die De Persgroep momenteel test.

De losse verkoop van kranten heeft als bijzonder kenmerk dat de uitgever alle onverkochte exemplaren terugneemt. Hij kan wel zelf bepalen hoeveel exemplaren hij dagelijks levert per verkooppunt. Hij moet dus een trade-off vinden tussen enerzijds het minimaliseren van de oplage, zodat er een gering aantal exemplaren onverkocht blijft maar de kans op uitverkoop, en dus potentieel gemiste verkoop, groot is, anderzijds het maximaliseren van de oplage, waarbij de kans op uitverkoop minimaal is, maar men blijft zitten met een groot aantal onverkochte exemplaren. De eerste situatie is er één van kostenbeheersing, terwijl de tweede streeft naar een maximale omzet, die echter gepaard gaat met grote kosten. De optimale balans tussen beide extremen komt vooral neer op het schuiven tussen de verkooppunten, zodat bij een optimale oplage er in elk verdeelpunt slechts één krant onverkocht blijft. De Persgroep wilde proberen bij een stabiel uitverkooppercentage het percentage onverkochte, dat momenteel 16% bedraagt, met 1% terug te dringen. Dat zou neerkomen op een jaarlijkse besparing van liefst 200.000 euro.

In de praktijk blijkt het erg moeilijk om de verwachte verkoop te voorspellen, omdat die afhangt van een groot aantal factoren, waaronder promotie- en marketingacties, die tegenwoordig bijna dagelijks gebeuren. Door de verkoopgegevens over alle verkooppunten over een lange periode te screenen en te filteren, heeft de Persgroep bruikbare data verkregen, waaruit twaalf types verkooppunten (‘clusters') konden worden gedestilleerd. Met behulp van de KU Leuven en Inno.com, de eersten voor hun know-how van geavanceerde datamining technieken, de laatsten voor hun implementatie-expertise en de leiding van het project, werd een computermodel uitgewerkt, waarmee aan de hand van de specifieke karakteristieken van elk verkooppunt, de verwachte verkoop en dus ook de leveringsaantallen voor de volgende dag worden bepaald.

Het testproject toonde de bruikbaarheid van deze benadering aan. Belangrijke vaststellingen waren verder de noodzaak aan externe expertise, de ‘job protection reflex' van het personeel dat momenteel hetzelfde werk doet op basis van hun markt- en beroepskennis, en het belang van een goede screening en filtering van de data, een proces dat veel complexer en arbeidsintensiever is gebleken dan verwacht. Vermoedelijk kan de investering dankzij de kostenbesparing op papier binnen de 17 maanden worden terugverdiend.