GS1 Belgilux

Algemene Vergadering en Forum 2006

nr: 2006 - 2

Op 21 maart jl. vonden in het Sofitel Hotel te Diegem de Algemene Vergadering van GS1 Belgium & Luxembourg evenals de studiedag Forum 2006 plaats. In totaal namen ongeveer 200 geïnteresseerden deel aan het evenement. De studiedag, in samenwerking met ECR Belgium, werd toegespitst op projecten waarbij de GS1 standaarden een leidende rol spelen in de Supply & Demand keten: traceerbaarheid, RFID (radiofrequentie identificatie), datasynchronisatie en elektronische facturering.

Tijdens de Statutaire Algemene Verga-dering die aan de studiedag voorafging, werd het jaarverslag en de rekeningen 2005 goedgekeurd. Tevens werd beslist om een enquête onder alle leden te houden, teneinde te peilen naar hun prioriteiten.

Nadien volgde de studiedag met als thema ‘Improving efficiency & visibility in the supply and demand chains', voorgezeten in de voormiddag door MICHEL EECKHOUT, Executive Vice President and Chief Information Officer van Delhaize Group en voorzitter van GS1 Belgium & Luxembourg en in de namiddag door Franky VAN HAMME, Operations & Customer Service Director Alpro. Beiden zijn co-chair van ECR-Belgium.

Michel EECKHOUT leidde het Forum in met een overzicht van de activiteiten van GS1 Belgium & Luxembourg in 2005. Op het vlak van automatische identificatie ging ook dit jaar ruime aandacht naar het gebruik van de GS1 standaarden in traceerbaarheid. Op basis van de ‘Handleiding voor de etikettering van logistieke eenheden en voor datacommunicatie in het kader van traceerbaarheid', bood GS1 Belgium & Luxembourg haar leden ondersteuning en advies bij de uitwerking van het logistiek etiket. GS1 Belgium & Luxembourg was in 2005 tevens actief betrokken bij het Europese harmonisatieproject voor het logistiek etiket.

Verder verzekerde GS1 Belgium & Luxembourg de opvolging en dienstverlening rond de nieuwe technologieën RFID (Radio Frequency Identification) en EPC (Electronic Product Code), alsook de nieuwe compacte symbolen RSS en Data Matrix.

Op EDI vlak bleek dat de EANCOM® standaard nog steeds de leidende standaard voor onze leden is. Het gebruik van met name de factuur en de leveringsnota (DESADV-bericht) winnen sterk aan belang - de elektronische factuur doordat er sinds 2004 een wettelijke basis voor bestaat, de elektronische leveringsnota als hoeksteen voor een sluitende tracering.

2005 was een scharnierjaar voor data synchronisatie. Zo werd er werk gemaakt van de integratie van typische Belgische attributen en retail specifieke attributen in GDSN (Global Data Synchronisation Network) en van de verdere ontwikkeling van de CDB (Central Data Bank). Belangrijke punten voor de CDB zijn de interoperabiliteit met andere e-catalogi, de verdere integratie van de GPC (Global Product Classification), de beslissing om de toekomstige berichten enkel nog in XML formaat te ontwikkelen en de uitwerking van een belangrijke software upgrade die in 2006 geïmplementeerd zal worden. Dankzij deze upgrade wordt de CDB meer gebruiksvriendelijk alsook volledig verenigbaar met GDSN (zie ook verder de presentatie van Luc APPELMANS).

In de toekomst zal de CDB continu aangepast worden om te voldoen aan de nieuwe behoeften van de leden. Hierbij wordt gedacht aan de integratie van nieuwe attributen, het gebruik van de CDB in andere sectoren, de verdere uitwerking van de interoperabiliteitstesten en de volledige implementatie van de GPC in de CDB.

GS1 Belgium & Luxembourg is bovendien actief in meerdere internationale en Europese GS1 werkgroepen wat een must is voor een eenduidige wereldwijde implementatie van de GS1 standaarden.

Tot slot overliep Michel EECKHOUT de strategieën van GS1 Belgium & Luxem-bourg voor 2006. Het efficiënte gebruik van de GS1 standaarden in de supply & demand chain wordt deels bepaald door de goede dienstverlening van het GS1 Belgium & Luxembourg team (helpdesk, training, werkgroepen, ...). Hij spoorde de leden aan om gebruik te maken van deze dienstverlening alsook om actief deel te nemen aan de ontwikkeling en het onderhoud van de standaarden via GSMP (GS1 Global Standard Management Pro-cess).

Volgend op de inleiding van Michel EECKHOUT werden een aantal praktijktoepassingen uiteengezet, waarvan hierna een samenvatting volgt.

Van datasynchronisatie over EPC naar controle op derving
Kathleen VAN MAELE - Director Customer Logistics SCA Hygiene en Jos JOOS - Director Retail/CPG Continental Europe van Unisys

Na een korte inleiding over SCA Hygiene sprak Kathleen VAN MAELE over het gebruik van datasynchronisatie als fundering voor EPC/RFID en andere projecten die op hun beurt tot een vermindering van derving (shrinkage) kunnen leiden. SCA Hygiene is reeds verschillende jaren vertrouwd met het datasynchronisatie concept in productmanagement. Tijdens Interchange 2003 gaf Kathleen VAN MAELE hier-over al een presentatie: ‘Global Product Management at SCA'.

Kosten reduceren en het ‘on shelf management' verbeteren waren destijds de te verwezenlijken objectieven van het datasynchronisatie project. SCA ziet twee mogelijke platformen om deze objectieven te realiseren:

  1. Via standaardisatie: via een standaard bedrijfsmodel, op basis van de GS1 codering (GTIN);
  2. Samenwerking: een totaal aanbod van producten en diensten aanbieden en samenwerken met handelspartners in een 1 op 1 relatie, maar ook hier proberen om zoveel mogelijk gestandaardiseerd te werken.

Studies van AT Kearney tonen aan dat serieuze kost- en tijdsbesparingen mogelijk zijn wanneer een bedrijf aan datasynchronisatie doet en dit vooral bij de behandeling van productinformatie, factuurverwerking, correcties bij facturen, vertragingen op betalingen en de introductie van nieuwe producten.

Vóór de start van het datasynchronisatie project werden de SCA lokale databases land per land ingevuld. Dit was uiteraard geen optimale situatie. Daarom besloot SCA om alles te centraliseren via 1 datapool. Alle gegevens worden nu uit ERP (SAP) geëxtraheerd en in de datapool ingebracht. Klanten kunnen deze gegevens ten allen tijde opvragen. Voordelen zijn dat de informatieoverdracht een stuk vlotter verloopt, dat de gegevens steeds een dubbele controle ondergaan en dat men steeds weet welke gegevens door welke klanten opgevraagd worden.

SCA volgt de ontwikkelingen van het GDSN (Global Data Synchronisation Network) op de voet en is van mening dat een aantal obstakels moeten opgeruimd worden voor de optimalisering van het concept. Zo wordt momenteel teveel de nadruk gelegd op de technische aspecten en te weinig op de commerciële invalshoek, hetgeen GDSN logger maakt.

Een goede datasynchronisatie staat of valt met het systeem dat de gegevenskwaliteit bewaakt. Bij SCA Hygiene wordt hieraan veel aandacht besteed. Een goede gegevenskwaliteit is namelijk zeer belangrijk voor gegevensleveranciers die hun inbound systemen (via SAP) rechtstreeks via XML berichten willen doen aansluiten op GDSN.

Jos JOOS benadrukte op zijn beurt dat datasynchronisatie de fundering is voor andere projecten die de efficiëntie in een bedrijf en de supply chain kunnen verhogen. Zo kan men bijvoorbeeld datasynchronisatie combineren met RFID/ EPC om bepaalde businessvoordelen te realiseren.

Door GDS te gebruiken is het mogelijk om de basisprocessen te optimaliseren zoals het bestellen, factureren, op voorraad plaatsen, leveren, ... Anderzijds zorgt EPC (Electronic Product Code) ervoor dat elk object van een uniek (reeks)nummer voorzien wordt. Aan dit unieke nummer kunnen heel wat nuttige gegevens over het object gekoppeld worden. Zo krijgt een onderneming een beter zicht over zijn logistieke goederenstroom en over de kosten verbonden aan inefficiënte handelingen en kan het bedrijf meer gerichte acties ondernemen.

Vandaag is RF-tagging nog niet interessant voor alle producten. Zo is dit wel het geval voor CDs en DVDs, dure merkkledij, ... maar beduidend minder voor dagdagelijkse voedingsproducten.

Verder legde Jos JOOS de link tussen productcategorieën (droge voeding, non-food, diepvries, ...) en de verschillende toepassingen waarvoor RFID gebruikt wordt (o.a. vermindering van out of stocks, lagere voorraden, vermindering van derving, ...). Hieruit blijkt dat het gebruik van RFID bij bepaalde combinaties van productcategorieën en toepassingen, grotere businessvoordelen op-levert dan bij andere.

Bij SCA Hygiene zijn momenteel vier RFID projecten aan de gang:

  1. In de ‘forest' divisie om te kunnen traceren welk papier van welke bomen afkomstig is.
  2. In de verpakkingsdivisie bij Nestle Duitsland worden tags verwerkt in sommige productverpakkingen.
  3. In de upstream supply chain op papierbobijnen waar het dankzij RFID mogelijk is om deze vrij dure bobijnen met meer precisie op te volgen in de keten.
  4. Voor METRO worden tags aangebracht op pallet- en colliniveau.

Kathleen VAN MAELE gaf te kennen dat de voordelen die met de RFID technologie verwezenlijkt worden, nog weinig voelbaar zijn bij SCA, omdat SCA al jaren geïnvesteerd heeft in andere technologieën waarmee grotendeels dezelfde voordelen behaald worden. Dit neemt echter niet weg dat SCA de RFID/EPC technologie op de voet blijft volgen, voor eventuele interessante opportuniteiten in de toekomst.

Tot slot gaf Jos JOOS aan dat datasynchronisatie en RFID toelaten om productderving beter te beheren. Productderving kan verbonden worden aan één van de volgende 4 oorzaken: tekortkomingen in het proces (vb. foutieve prijstoekenning, foutieve productidentificatie, scanproblemen, ...), interne diefstal, externe diefstal en bedrijfsfraude. GDS kan vooral ingezet worden om tekortkomingen in het proces tegen te gaan, terwijl RFID eerder de andere oorzaken van verlies door derving aanpakt. Door GDS en RFID samen te gebruiken, kunnen praktisch alle types van productderving bestreden worden.

RFID bij DELHAIZE Group: beschrijving van de lopende pilootprojecten in België en de Verenigde Staten, business en technische benaderingen
Vincent DE HERTHOGH, Supply Chain - RFID Coördinator Delhaize Group

In 2004 heeft Delhaize Group haar strategie bepaald op het vlak van RFID. Delhaize gelooft dat RFID doorheen de supply chain significante voordelen zal genereren voor de bedrijven die de technologie succesvol kunnen implementeren en de mogelijkheden ervan weten te beheren. Een internationale ‘Cross Banner RFID Steering Committee' werd opgestart om pilootprojecten te begeleiden in zowel de Europese vestigingen (Delhaize en AB) als de Amerikaanse vestigingen (Food Lion en Hannaford). In een planning op korte, middellange en lange termijn werden de beoogde toepassingen uiteengezet. Belangrijke ob-jectieven hierbij zijn: voorraadbeheer, asset tracking, totale visibiliteit in de toeleveringsketen en track/trace.

Vooraleer de pilootprojecten op te starten, ondernam Delhaize Group een grondige studie van de RFID technologie en de bestaande standaarden en besliste hierbij om de EPCglobal standaardisatie te volgen. Belangrijke evoluties voor Delhaize Group waren de release van de Klasse 1 - Generatie 2 Tag (gen2) die een veel betere leesbaarheid en betrouwbaarheid garandeert en die bovendien beduidend meer mogelijkheden biedt op het vlak van interoperabiliteit. De UHF RFID regulering in Europa is strikter dan in de Verenigde Staten maar de nieuwe ETSI EN 302-208 regulering die ook zeer binnenkort in België zal goedgekeurd worden, zal een meer bevredigende werksituatie mogelijk maken.

Vincent DE HERTOGH nam vervolgens de twee bestaande pilootprojecten onder de loep. Het eerste RFID pilootproject betreft de ontvangst van pallets in de distributiecentra van Hannaford (US). Delhaize Group beoogt namelijk belang-rijke besparingen te realiseren doorheen een snellere ontvangst en een meer precieze inventaris. Dit pilootproject, opgestart in april 2005, behelsde drie geïntegreerde operaties: de bestelling, de Advanced Shipping Note (ASN) en de pallet RFID tag. Deze test bewees dat de technologie werkt en dat de processen op punt staan om met RFID te starten zodra de leveranciers klaar zijn met het leveren van de gegevens en de tags op pallets en kratten. Helaas bewees de test eveneens hoe moeilijk het is om de leveranciers ertoe te bewegen om de correcte ASN en tags te leveren.

Het tweede pilootproject betreft het beheer van herbruikbare kratten bij Delhaize Belgium, meer bepaald in het distributiecentrum van de beenhouwerij te Zellik. Het traceren en de controle op derving is een dure operatie, net als de vervanging van verloren kratten. Deze plastiek containers kunnen van een tag voorzien worden, net zoals producten, waardoor hun tracering en beveiliging aanzienlijk verbeterd worden. Het pilootproject, opgestart in oktober 2004, werd opgevat in 3 fasen:

Fase 1: de asset inventariscontrole van de kratten

De doelstellingen waren: het evalueren van de technologie, het evalueren van de business case voor Delhaize Belgium en het beheren van de gegevensstroom die voortvloeit uit het gebruik van RFID (asset tracking). Alle goederenbewegingen, processen en controlepunten in het DC vlees werden in kaart gebracht en in functie hiervan werden de RFID leespunten vastgelegd. Naast de operaties ontvangst van vleeskratten, picken van de kratten en retour van de lege kratten uit de winkel, werd de kwaliteit van de tags gecontroleerd tijdens het wassen (dit zijn dus 4 leespunten in totaal). Uit deze fase bleek namelijk dat de kwaliteit van de tag (Klasse 1 - Generatie 1) niet constant was en dat het met deze tag niet mogelijk was alle 90 kratten op een pallet in éénmaal te lezen. Met gen2 tags zou dit wel mogelijk moeten zijn. Daarnaast werden ook problemen van parasiet lezing vastgesteld (andere dan de voorziene tags werden gelezen).

Fase 2: hogere efficiëntie in de op-slagplaats en starten van de controle op traceerbaarheid

De doelstelling waren: het integreren van RFID in de bestaande processen; het traceren van de inhoud van de kratten; het vereenvoudigen van de picking en het integreren van de leveranciers in het proces via ASN berichten. In deze fase werd een vijfde leespunt toegevoegd om te controleren welk vlees zich in welke krat bevond. Deze fase vroeg ook om bepaalde aanpassingen in de beenhouwerij om de printers en leestoe-stellen aan de weegschalen van een RFID systeem te voorzien. Momenteel wordt nog in parallel met streepcodes en RFID gewerkt. De leeraspecten van deze fase waren: het is mogelijk om de RFID technologie te integreren in de bestaande processen; het gebruik van de ASN bij de receptie lost het probleem van parasiet lezing en niet lezing van tags op; streepcode lezing is soms te verkiezen wanneer de tags één per één moeten gelezen worden.

Fase 3: uitbreiding naar de winkels

De doelstellingen waren: het testen van de RFID technologie op niveau van de winkel back-office; het gebruik van RFID om de traceerbaarheid van vlees te verbeteren; het gebruik van RFID als een permanent inventarissysteem voor de vleeskratten in de winkelrekken (de zogenaamde ‘smart shelves'); het testen van het gebruik van zowel HF als UHF frequenties. Deze testen werden volledig in laboratoriumomgeving uitgevoerd. De leeraspecten van fase 3 waren: de back-office is de plaats waar het meeste voordelen kunnen gegenereerd worden; ook HF is een waardevolle standaard en is de beste oplossing voor producten die veel water bevatten; een correcte en permanente inventaris dankzij RFID is een goede werkwijze om derving te beheren.

In een volgende fase zullen de gen2 tags en lezers getest worden. Ook wil Delhaize kratten met ingebouwde gen2 tags in gebruik nemen en het picking proces herbekijken in de combinatie voice en RFID.

Algemeen beschouwd oordeelt Delhaize Group dat de testen de belangrijke rol van RFID in goederentracering doorheen de toeleveringsketen bewezen hebben. RFID zal helpen om de goederenstromen te stroomlijnen en ze efficiënter, preciezer en sneller te laten verlopen.

E-invoicing in de praktijk
Peter DE JONGHE - ICT Systems Development Manager Makro Cash & Carry Belgium NV en Paul BIESMANS - Administrative & Finance Manager Gardena Belgium

De partners in deze e-factuur oefening zijn leverancier Gardena, een Duits bedrijf voor tuinbenodigdheden, en het Duitse MGP (Metro Group Account Processing), een service provider binnen de Metro Group die de technische afhandeling van de elektronische facturen voor Makro verzorgt. De uitwisseling van de EDI-berichten gebeurt volgens een guideline (MIG) die is voorgelegd aan GS1 Belgium & Luxembourg. Ook de service providers Porthus, Certipost en Influe werden betrokken bij het opstellen van de MIG. Op dit ogenblik zijn 2 leveranciers actief, een andere 35 zijn in test.

De wetgeving vereist dat een contract wordt afgesloten tussen de betrokken partijen vooraleer de eerste elektronische factuur wordt uitgewisseld (zonder papieren afschrift). Er werd gekozen voor het Interchange Agreement model van de KU Leuven. Het standaardcontract omvat tevens een aantal technische bijlagen met een beschrijving van het elektronische systeem, de gebruikte standaarden en de beveiligingsmaatregelen en -procedures. De nadruk kwam daarbij vooral te liggen op een gedetailleerde beschrijving van de gegevensstromen. Het opstellen en laten ondertekenen van het contract vraagt de nodige opvolging om te vermijden dat dit vertragend werkt op het hele project. Voor leveranciers die gebruik maken van voornoemde service providers is er een aangepast standaardcontract beschikbaar zodat de input van de leverancier tot een minimum wordt beperkt.

Belangrijk in de hele procedure is het gebruik van een - papieren - recap document dat als vangnet dient voor het bewijs van integriteit en authenticiteit. Per EDI bericht wordt een dergelijk recap document opgemaakt dat naar MGP in Duitsland wordt gefaxt. Daar bevindt zich ook het archief van de originele EDIFACT-berichten en van de gevisualiseerde e-facturen. Uiteraard is het BTW controlekantoor ervan verwittigd dat het digitale archief in het buitenland wordt bijgehouden.

Bij Gardena gebeurt de ICT verwerking op SAP R/3 in Ulm en ook de centrale archivering gebeurt in Duitsland. Met Makro en een tweede klant worden 23% van de Gardena orderlijnen elektronisch gefactureerd. Na een trage start, is nu een inhaalbeweging aan de gang.

Tijdens de vragenronde kwam het tot een geanimeerde discussie met andere gebruikers van e-invoicing. Peter DE JONGHE wees hierbij op het nut van het contract met documentatie van de operaties als een verbintenis tot het respecteren van de wettelijke regels (integriteit & authenticiteit). Hij wees er tenslotte op dat ook kleine bedrijven voordeel kunnen halen uit de e-factuur.

Barcoding als gids voor een snelle, betrouwbare en gebruiksvriendelijke tracering
Dirk BONTEN - Quality & Risk Coordinator en Willem KEPPENS - Logistics Coördinator bij DCM (De Ceuster Meststoffen)

Dirk BONTEN gaf vooreerst een korte toelichting bij het bedrijf. DCM is Belgische marktleider in organische meststoffen, dit zijn meststoffen opgebouwd uit dierlijke en plantaardige nevenstromen. Naast organische meststoffen behoren verder ook vloeibare meststoffen, kalk, lava, vijverproducten, graszaad, ... tot het productengamma. Deze producten zijn be-stemd voor zowel de professionele sector (beroepstuinbouw, sport, openbaar groen, tuinaanleg, biologische tuinbouw, ...) als de hobbysector in binnen- en buitenland.

DCM was één van de eerste bedrijven uit de sector die met een traceringsproject van start ging. Aan de basis lagen eerst en vooral de dioxine en BSE crisissen die in 1999 in de veeteeltsector uitbraken en die onrechtstreeks hun weerslag hadden op de meststoffensector. Verder stond DCM een vijftal jaar geleden voor de opdracht een nieuwe productielijn uit te bouwen voor de productie van de ‘Minigran', een nieuwe formule. Door de complexiteit van het productieprocédé voor deze producten, was het noodzakelijk een sterk geautomatiseerde productielijn uit te bouwen. Zo kon meteen ook het concept ‘traceerbaarheid' ingebouwd worden. Tot slot hebben de EU verordening 178/2002 inzake veiligheid in de voedselketen en het KB van 14/11/2003 inzake autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid in de voedselketen DCM versterkt in hun idee om met een traceringsproject van start te gaan.

DCM heeft tracering van bij het begin zeer grondig aangepakt. Zo kunnen zij niet enkel alle producten die het bedrijf binnenkomen en buitengaan traceren, maar ook de link leggen tussen de inkomende en uitgaande producten. Ook heeft DCM werk gemaakt van een sectorale gids die aan het FAVV ter goedkeuring is overgemaakt.

Willem KEPPENS besprak vervolgens hoe de tracering bij DCM in de praktijk gegarandeerd wordt vanaf de goederenreceptie tot en met de levering van het eindproduct aan de klant. Aan de grondstoffen wordt per pallet intern een uniek lotnummer toegekend. Dit lotnummer wordt in de SSCC van de pallet verwerkt. Daarna worden de streepcodes gescand en op voorraad geplaatst. Bij verbruik van de voorraden wordt elke te verbruiken partij aan een productieopdracht gekoppeld en krijgt het een interne productiecode toegewezen. Eenmaal de eindproducten geproduceerd, worden ze verpakt en ge-etiketteerd (EAN-13 streepcode op de eenheidsverpakking, ITF-14 op de omverpakking en de interne productiecode in tekstvorm op beide niveaus). Op pallet-niveau wordt een uniek lotnummer toegekend, dat geïntegreerd wordt in de SSCC.

Willem KEPPENS merkt op dat de keuze voor de GS1 standaarden vrij snel gemaakt was. Zowel de klanten als DCM zelf waren vragende partij voor standaardisatie hetgeen tevens de mogelijkheid bood om de gegevensverwerking bij DCM intern te optimaliseren.

De opstelling en concrete implementatie van de totale automatisering nam ruim 2 jaar in beslag. Hierbij werden 3 fases onderscheiden.

In een eerste fase (eerste semester 2002) werden de hardware en de basissoftware getest. Na de jaarlijkse voorraadcontrole bleek het systeem een aantal kinderziektes te vertonen en werd het systeem verder verfijnd. In de tweede helft van 2002 werd het traceringssysteem verder geïntegreerd in het ERP systeem en gekoppeld aan het RF systeem (+ Warehouse Management Systeem, het scansysteem op de werkvloer). Zo werd een automatische tracering mogelijk. In de zomer van 2002 werd het systeem een eerste maal ‘life' getest.

In een tweede fase werd de productie gekoppeld aan het nieuwe systeem. Zo werd de koppeling tussen de productiesoftware en het ERP-pakket gerealiseerd. Verder werd een koppeling voorzien tussen de grondstofloten en een interne productiebatch. Deze interne productiecode is een uniek nummer dat gekoppeld wordt aan een welbepaalde productie-opdracht en toegekend wordt aan elke te verbruiken productpartij. Op deze manier realiseert DCM zijn interne tracering.

In de derde fase - een fase die nog niet volledig rond is - wil DCM ook de inname en het verbruik (dosering) van de grond-stoffen volledig automatiseren.

Concreet betekent dit dat bij de goede-renontvangst telkens de volgende handelingen doorgevoerd worden:

  1. De grondstoffen worden afgeboekt. Daarna volgt de afboeking van de hulpgoederen via de BOM (Bill Of Material).
  2. Als de grond- en hulpstoffen in productie genomen worden voor verwerking tot eindproduct, wordt een productiebatchnummer voorzien en gekoppeld aan de afgewerkte loten.
  3. Er wordt een streepcodelabel aangemaakt en vervolgens (nu nog manueel later automatisch) aangebracht op het eindproduct/omverpakking/pallet.
  4. Opvolging van producten in het magazijn (vb. op voorraad zetten, picken, klaarzetten voor transport, ...) wordt mogelijk via aangebrachte streepcodes en lotnummers.

Het automatiseringsproject heeft ook een positieve impact op de orderafhandeling.

  1. Het ERP systeem geeft de meest optimale route weer voor de magazijniers die de bestelde producten uit het magazijn moeten ophalen.
  2. Het ERP systeem stuurt aan hoe de vrachtwagens optimaal kunnen volgeladen worden.
  3. De productielotnummers worden gekoppeld aan de levernota, zodat steeds kan teruggevonden worden welke producten aan welke klant geleverd werden.
  4. De klachtenopvolging verloopt een stuk vlotter doordat het systeem een duidelijk overzicht geeft van alle orderafhandelingen en handelingen op de werkvloer.

Tot slot werden de voor- en nadelen van scanning & tracering bij DCM opgesomd. Als voornaamste nadeel vermelde Willem KEPPENS de extra inspanningen die van het logistieke personeel geëist worden. Bij aanvang van de automatiseringswerken was er bij dit personeel sprake van enige terughoudendheid, maar naarmate de werken vorderden en ze meer vertrouwd raakten met het nieuwe systeem, zagen zij ook de vele voordelen ervan in. Een tweede nadeel zijn de vrij hoge opstart- en onderhoudskosten.

Gelukkig heeft het automatiseringsproject ook heel wat voordelen gegenereerd:

  • Besparingen in het administratief werk
  • Minder stockbreuken (door een beter voorraadoverzicht)
  • Optimale magazijnbenutting
  • Minder foutieve leveringen
  • Beter overzicht over de prestaties op de werkvloer (prestatie-indicator voor magazijniers).
Nieuwe CDB versie: dichter bij de behoeften van de gebruikers
Luc APPELMANS - Manager bij Eozen

De CDB (Central Data Bank) is nu vijf jaar in gebruik en de ervaring heeft toegelaten om een aantal belangrijke lessen te trekken. De CDB kent een gestage, zij het trage groei, niettegenstaande sommige deelnemers van het eerste uur, met name multinationals, hebben afgehaakt om zich aan te sluiten bij internationale datapools. Hun beweegreden is meestal: één enkel contactpunt voor alle markten waarin zij actief zijn. Toch wordt ook stilaan duidelijk dat lokale datapools veel dichter bij de realiteit van de lokale bedrijfsvoering staan.

Zowel de leveranciers als de retailers hebben het voorbereidende werk dat nodig is om de interne organisatie af te stemmen op een efficiënt gebruik van de CDB onderschat. Veel leveranciers hebben i.v.m. hun deelname aan de CDB nog altijd een afwachtende houding omdat ze vooralsnog weinig druk ondervinden vanwege hun klanten. Delhaize is altijd een voortrekker geweest inzake CDB deelname maar nu worden ook de intenties vanuit de hoek van Colruyt, Cora en Carrefour Belgium bevestigd.

Aan het gebruik van de huidige CDB versie werden een aantal problemen verbonden. Zo ontbraken er, in de ogen van de retailers, een groot aantal attributen, met name de typisch Belgische Fost+/Val-I-Pac, Recupel en Bebat gegevens. De invoering van nieuwe attributen kostte veel tijd en moeite. Het verplicht gebruik van het digitaal certificaat, dat is ingegeven door een gegronde vrees voor gegevensontluistering, werkte in feite contraproductief. Ook viel regelmatig de kritiek dat de CDB niet echt gebruiksvriendelijk was.

ParaRede, de software ontwikkelaar van de CDB, heeft een nieuwe versie uitgewerkt die vanaf juli 2006 beschikbaar wordt in de CDB productieomgeving.

De CDB gebruikers die hun informatie via EDI (PRICAT) of XML standaardberichten naar de CDB sturen, zullen weinig merken van de overgang van het oude naar het nieuwe systeem. Alle functionaliteiten blijven ondersteund, de omzetting van de oude naar de nieuwe versie blijft voor hen volkomen transparant. Vooral de gebruikers van de Web oplossing zullen aangenaam verrast worden door de nieuwe vormgeving en functionaliteiten.

Door gebruik te maken van de modernste technologieën (gebaseerd op Microsoft.NET) is men gekomen tot een totaal vernieuwde scherm lay-out en invulling. Het gebruikersgemak is aanzienlijk vergroot door die nieuwe ‘look and feel' mogelijkheden en de snellere antwoordtijden bij schermopmaak.

De nieuwe CDB versie is nu volledig in overeenstemming met de internationale XML berichtenstandaard van GDSN, hetgeen de opname van nieuwe attributen substantieel zal versnellen en vereenvoudigen.

Aan het verplicht gebruik van het digitaal certificaat is nu verholpen door de gebruiker de mogelijkheid te geven om op een even veilige wijze via een gebruikers-id en paswoord toegang te krijgen tot de CDB voor gegevensinvoer en voor consultatie van de voor hem opgeslagen informatie.

Gegevensafnemers kunnen het systeem nu ook subscriptieregels opleggen. Deze beheersregels zullen het subscriptieproces vergemakkelijken en laten toe om de inkomende berichten selectief te filteren naar opgegeven zoekcriteria (vb. classificatie).

Tenslotte zijn er nieuwe mogelijkheden om multimedia documenten (beelden, film- en geluidsfragmenten) op te slaan.